ZZP’ers die voor een schamel uurtarief werken, krijgen er binnenkort een stevig wapen bij. Op 16 juni jl. heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel dat een rechtsvermoeden van werknemerschap koppelt aan een laag uurtarief. Wij zetten voor jou op een rij wat er is veranderd, wat dit betekent en waar je nu al rekening mee moet houden.
Waar staan we nu?
Wij volgen dit wetsvoorstel al langer. De Tweede Kamer ging op 21 april 2026 akkoord en nu heeft ook de Eerste Kamer het voorstel met een ruime meerderheid aangenomen. Daarmee is de weg vrij voor invoering van de Wet invoering rechtsvermoeden van arbeidsovereenkomst op basis van uurtarief.
Goed om te weten: dit rechtsvermoeden komt oorspronkelijk uit de koker van het bredere wetsvoorstel Verduidelijking beoordeling arbeidsrelaties en rechtsvermoeden (Vbar). Het kabinet heeft echter besloten om het verduidelijkende gedeelte van dat voorstel apart te trekken en onder te brengen in een nieuwe, nog te ontwikkelen Zelfstandigenwet. Het rechtsvermoeden zelf kreeg zo zijn eigen, versnelde wetstraject.
De kern van de wet: wat verandert er?
De wet grijpt in op Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en voegt daar een rechtsvermoeden van werknemerschap aan toe. De gedachte erachter: werkenden die tegen een laag tarief werken, zijn vaak kwetsbaar en lopen een verhoogd risico op schijnzelfstandigheid. Door hen een steviger juridisch uitgangspunt te geven, moet het voor deze groep eenvoudiger worden om hun positie als werknemer te claimen — en moet de wet ook een preventieve, gedragssturende werking hebben richting opdrachtgevers.
De vuistregel: werkt iemand voor minder dan €38 per uur (exclusief btw, peildatum 1 januari 2026), dan geldt het wettelijk vermoeden dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst.
Wat betekent dit concreet voor zzp’ers en opdrachtgevers?
Het mechanisme werkt als een omkering van de bewijslast. Normaal gesproken moet een zzp’er die stelt eigenlijk werknemer te zijn, dat zelf aantonen. Straks ligt die last andersom:
- De zzp’er hoeft alleen aannemelijk te maken dat het uurtarief onder de €38-grens ligt.
- De opdrachtgever moet vervolgens bewijzen dat er, ondanks het lage tarief, geen sprake is van een arbeidsovereenkomst.
- Lukt dat de opdrachtgever niet, dan staat schijnzelfstandigheid vast en heeft de werkende recht op de bescherming van een gewone werknemer — denk aan loondoorbetaling bij ziekte en ontslagbescherming.
Voor de zzp’er: bescherming, maar niet altijd gewenst
Voor zzp’ers die tegen een laag tarief werken en zich kwetsbaar voelen in hun positie, is dit een welkome steun in de rug: het rechtsvermoeden maakt het eenvoudiger om alsnog aanspraak te maken op werknemersbescherming, zonder dat zij zelf het volledige bewijs hoeven te leveren.
Tegelijk merken wij in de praktijk dat lang niet elke zzp’er hierop zit te wachten. Veel zelfstandigen kiezen bewust voor het ondernemerschap; vanwege de vrijheid, de fiscale voordelen of simpelweg omdat ze geen werknemer willen zijn. Voor hen is een uurtarief onder de €38 niet per definitie een teken van kwetsbaarheid: denk aan startende zzp’ers, mensen die naast een andere baan als zzp’er werken, of zelfstandigen in sectoren waar dit tarief nu eenmaal gangbaar is. Het rechtsvermoeden is weerlegbaar, maar het betekent wel dat opdrachtgever én zzp’er samen moeten kunnen aantonen dat de relatie toch geen arbeidsovereenkomst is, wil de zzp’er zelfstandige blijven. Dat vraagt om een overeenkomst en werkwijze die dat overtuigend onderbouwen.
Voor de opdrachtgever: verschuivend risico
Voor opdrachtgevers die met freelancers tegen een lager tarief werken, is dit geen kleine wijziging. Het risico op een geslaagde claim van schijnzelfstandigheid neemt toe, en de bewijspositie verschuift naar hun kant. Dat risico speelt overigens niet alleen wanneer een zzp’er zelf een beroep doet op het vermoeden: ook de Belastingdienst en (in geval van faillissement) een curator kunnen zich hierop beroepen.
Vanaf wanneer geldt dit?
De wet moet uiterlijk op 31 december 2026 in werking treden; het exacte tijdstip wordt bij koninklijk besluit vastgesteld. Deze deadline hangt niet toevallig samen met het Europese Herstel- en Veerkrachtplan, waaraan voor Nederland ook financiële belangen zijn verbonden. Het peiljaar voor het uurtarief van €38 is en blijft vooralsnog 1 januari 2026.
En de rest van het zzp-dossier?
Dit rechtsvermoeden is slechts één puzzelstukje. Het kabinet werkt parallel aan de eerder genoemde Zelfstandigenwet, die op termijn meer duidelijkheid moet bieden over hoe arbeidsrelaties precies worden gekwalificeerd.
Wat kun jij nu al doen?
De aankomende wetswijziging is een goede aanleiding om bestaande overeenkomsten met zzp’ers eens kritisch te bekijken, maar het is zeker niet de enige toetssteen. Het bestaande beoordelingskader, gebaseerd op de bekende Hoge Raad-arresten Uber en Deliveroo, blijft namelijk gewoon van kracht.
Wil je weten hoe dit toetsingskader er in de praktijk uitziet? De Belastingdienst publiceerde in april 2026 een toegankelijk overzicht: het Beslis- en afwegingskader beoordeling arbeidsrelaties.
Twijfel je over de kwalificatie van een arbeidsrelatie binnen jouw organisatie of wil je weten wat deze wetswijziging voor jou als zzp’er betekent? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met je mee.